Industrie zou plannen op maat moeten krijgen in Klimaatakkoord - Utilities
nieuws

Industrie zou plannen op maat moeten krijgen in Klimaatakkoord

Publicatie

28 Sep 2018

Categorie

Utilities

Soort

nieuws

Tags

Klimaatakkoord

De klimaatmaatregelen die worden genoemd in het Voorstel voor Hoofdlijnen van het Klimaatakkoord hebben het technisch potentieel om aan het doel van 49 procent emissiereductie in 2030 te voldoen. De jaarlijkse meerkosten van deze maatregelen zouden neerkomen op drie tot vier miljard euro in 2030. Zeker voor de grote bedrijven raadt het PBL aan om transitieplannen-op-maat te maken die niet alleen op 2030 maar ook op de periode 2030-2050 gericht zijn.

Voldoende technisch potentieel is echter geen garantie voor een succesvolle realisatie. De werkelijke meerkosten, de lastenverdeling tussen en de betaalbaarheid voor burgers en bedrijven, en de effecten op milieu, ruimte en werk hangen volledig af van de keuzes voor concrete (beleids)instrumenten die de komende maanden worden gemaakt.

Van wat naar hoe

Het wat is met dit voorstel duidelijker geworden, nu komt het aan op het hoe. Het is aan de overheid om duidelijke budgettaire en beleidsmatige kaders te schetsen ten behoeve van de vervolgonderhandelingen.  Dat concludeert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in zijn analyse van het Voorstel voor Hoofdlijnen van het Klimaatakkoord (VHKA).

Het Klimaatberaad onder voorzitterschap van Ed Nijpels heeft het VHKA aan het PBL voorgelegd om te analyseren welke effecten de voorstellen kunnen hebben, onder meer op het gebied van emissiereductie en nationale kosten. Het PBL reflecteert in deze analyse op het voorstel als geheel en biedt daarnaast waar mogelijk per onderhandelingstafel kwantitatieve en kwalitatieve detailanalyses ten behoeve van de uitwerking van de voorstellen. Het CPB heeft een beperkte beoordeling gemaakt op budgettaire lasten- en inkomenseffecten.

Complexe puzzel

Omdat de instrumentatie achter de voorgestelde maatregelen slechts summier is uitgewerkt, is het voorstel niet in zijn geheel doorrekenbaar. De uitwerking tot een effectief akkoord zal nog een complexe puzzel vormen, waarbij een balans moet worden gevonden tussen de mate van beprijzen, normeren en gericht subsidiëren. Keuzes vanuit de overheid ten aanzien van de beleidsinstrumenten en de budgetkaders moeten de uitwerking bespoedigen.  Het is immers niet gezegd dat de partijen aan tafel zelf een gebalanceerde instrumentenmix zullen voorstellen.

Voor zover het nu wél te berekenen is, levert het totaal aan technische maatregelen ruwweg drie tot vier miljard euro extra jaarlijkse kosten op in 2030. Het PBL schat de benodigde investeringen op tachtig tot negentig miljard euro in de periode 2019-2030.

Het maatregelpakket is grosso modo in lijn met een kosteneffectieve transitiestrategie, zoals door het kabinet gewenst. Ook hierbij geldt dat de concrete uitwerking zal moeten uitwijzen wat de werkelijke kosten worden en wie het gaat betalen.

Industrie

In de industrie zijn tien bedrijven verantwoordelijk voor ongeveer de helft van de broeikasgasemissies. Vanwege de lange levensduur van installaties richt een kostenefficiënte strategie zich in de eerste plaats op het voorkomen van vroegtijdige afschrijvingen. Zeker voor de grote bedrijven raadt het PBL aan om transitieplannen-op-maat te maken die niet alleen op 2030 maar ook op de periode 2030-2050 gericht zijn.

Voor de langere termijn moeten nu al voorbereidingen worden getroffen in de vorm van demonstratieprojecten en de aanleg van de benodigde infrastructuur, zoals leidingen. Ook moet uitgewerkt worden welke mix van beprijzen, normeren en gericht subsidiëren het meest effectief is, hoeveel financiële ruimte de overheid beschikbaar wil maken en hoe de borging van afspraken vorm kan krijgen. Het maatschappelijk draagvlak voor o.a. CO2-opvang en -opslag en de verdeling van lasten tussen bedrijven en burgers behoeft grote aandacht.

Elektriciteit

In het elektriciteitssysteem wordt de transitie al het meest zichtbaar in de vorm van meer windmolens en zonnepanelen. Het belangrijkste knelpunt lijkt de ontwikkeling na 2025. De elektriciteitstafel suggereert dat via sterke verdere prijsdalingen voor wind- en zonne-energie, de toepassing van wind- en zonne-energie na 2025 ook zonder steun vanuit de SDE+regeling verder zal kunnen groeien. Het PBL acht het onzeker of die groei zal worden gerealiseerd zonder alternatief beleid. Het lijkt raadzaam nu al te starten met de voorbereiding van een alternatief instrumentarium.

Dwarsverbanden

De focus in het VHKA is nog onvoldoende gericht op de dwarsverbanden tussen de 5 tafels. Zo hebben we te maken met een stijgende vraag naar groen gas en warmte voor warmtenetten in de gebouwde omgeving, naar biobrandstof in het verkeer en naar waterstof als nieuwe CO2-vrije optie in de industrie. Voorstellen voor de productie en levering ervan ontbreken nog grotendeels.

Ook doen verschillende tafels een beroep op biomassa. De vraag naar duurzame biomassa zou zo groot kunnen worden dat het onzeker is of het aanbod toereikend zal zijn.

Bron: PBL